Als je zoveel ingrediënten gebruikt, dan zou ik er ook wat alfalfa op doen, zegt Bob Bonferroni tegen Arnoud Cronbach. Arnoud is zijn ultieme knäckebrödje aan het beleggen, in een demonstratie voor Bob, die almaar verbeteringen blijft suggereren. Dat heeft hij overgenomen van Theo Boole, die lukraak belegde broodjes een verschrikking vindt: uiteraard komt er wel een keer een lekkere uit.
Hagelslag trekt hij slecht.
Je probeert nog weleens eindes te vinden, maar soms geef je het ook maar op.
Het is 1942. KlaasJan Huntelaar zit in zijn bootje met een schaap, de wolf met een krop sla staat nog op de andere oever. Het is nog erg vroeg: de mist hangt nog in de weilanden en drijft nog op het water, de zon moet nog aan kracht winnen, en KlaasJan hunkert naar een kop koffie. Hij blaast nog eens in zijn handen en trekt weer aan de riemen. ‘Zo, vriend, zijn we d’r weer bijna he?’ Het schaap knikt terwijl hij zijn mini-camera’tje nog eens inspecteert. Het schaap is namelijk een spion die voor de luchtmacht werkt. ‘JAA, DIT IS WEL WEER EENS WAT ANDERS DAN IN WOLFSKLEREN GODVERDOMME!’ het schaap is een voormalig commando groene baret, en hij is nogal schotdoof door het oefenen met scherp waardoor hij altijd heel hard praat.